December 6, 2011

Het komt goed, moet je denken

De zaallichten gaan uit. Het gemurmel verstomt. Cabaretier Erris van Ginkel komt op. ‘Ik weet meteen of de zaal er zin in heeft of niet. Het is een ongrijpbaar moment.’

Erris van Ginkel is cabaretier. Met zijn eerste avondvullende liedjesprogramma De vooruitgang toert hij de komende maanden door het land. Hij is ook scenarioschrijver en theaterregisseur. En hij is creatief directeur van een communicatiebureau in Amsterdam. Vooral die laatste rol wringt nog wel eens als hij ’s avonds in Gorredijk, Leidschendam of Heerlen op het podium moet staan. Dat maakt hem in de cabaretwereld een buitenbeentje. ‘Ik heb overdag iets anders te doen. Na vier uur probeer ik te knop om te zetten. Ik doe stemoefeningen, waardoor ik ontspan, en praat tegen iemand aan. Ik probeer geestelijk op mijn qui-vive te zijn. Vaak werkt het. Maar soms neem ik te veel van de dag mee het podium op. Zeker als je eerst nog twee uur in de file staat, wordt het lastig. Dan ben ik een kantoorman die toevallig op het podium verzeild lijkt te zijn.’

Eerste stap

Die eerste stap op het podium is van groot belang voor hoe de avond verloopt, weet Erris uit ervaring. ‘Gaat het eerste moment goed, dan ontstaat er een soort openheid tussen mij en de zaal. Dan doe je de avond als het ware samen. Gaat het niet goed, dan speel je over de zaal heen. Als ik opkom, weet ik of de zaal er zin in heeft of niet. Het is een ongrijpbaar moment. Soms glijdt de spanning meteen weg. Maar soms ga ik dan nadenken over hoe het gaat. Ik heb dan de neiging om enorm gas te geven, maar dat kan betekenen dat ik de zaal verlies. Het is beter om dan juist rust te nemen, zodat ze aan me kunnen wennen. “Het komt goed”, moet je denken, “jullie komen vanzelf naar me toe.”

Schubbekutterveen

Hij noemt zichzelf iemand die met liedjes en tekst verhalen vertelt. Daar moet hij zijn publiek mee pakken. ‘De vooruitgang’ gaat over een man die vooruit wil in het leven, maar daarbij tegen allerlei grenzen op loopt. Erris: ‘Ik ben geen grappenkanon, dat met losse flodders een eind komt. Ik ben ook geen Marc-Marie Huijbregts, die op het podium beter tot zijn recht komt dan in het echte leven. Ik heb een verhaal te vertellen en daar moet ik het van hebben.’

Met bewondering kijkt hij naar een cabaretier als Jeroen van Merwijk. ‘De chagrijnige, dat stoïcijnse… Hij lijkt niks met je te willen, doet ogenschijnlijk niet zijn best, stoot alleen maar af. Juist daarom neemt hij je mee. Hoewel hij ook best avonden in Schubbekutterveen zal hebben gehad dat het juist niet werkte.’

Festivals zijn eng

Erris reikte tot de finales van de grote cabaretfestivals. ‘Festivals zijn eng, omdat een zaal dan meerdere mensen achter elkaar te zien krijgt. Iemand voor je kan de zaal echt stuk spelen met een tempo, hetzij sneller, hetzij trager, dat niet de mijne is. Soms is de zaal ‘vermoord’ en dan mag jij proberen te reanimeren. Dat kan goed uitpakken. “Die is gelukkig normaal”, denkt de zaal dan. Maar soms is die echt dood en begraven. En een andere keer kom je op als de zaal nog dubbel ligt van het lachen. Het is dan zaak om snel je eigen kaders te stellen en het publiek los te weken uit die vorige voorstelling.’

Af en toe klopt álles. Hij herinnert zich zijn tweede solo-optreden ooit, in het Werftheater in Utrecht. ‘Totáál onverwacht. Maar ze vonden iedere beweging grappig. En daar wórd je dan ook veel grappiger van. Ik speelde op de golven van het publiek. Terwijl ik het vak toen lang nog niet zo beheerste als nu.’ 

Halverwege

Met ‘De vooruitgang’ speelt hij zijn eerste avondvullende soloprogramma, dat in februari in première gaat. Het brengt hem naar alle hoeken van het land. ‘Ik slaag er steeds beter in om in een state of mind te komen om ook moeilijke zalen naar mijn hand te zetten. Maar ik leer nog steeds. Ik ben halverwege.’ 

Dit artikel is eerder verschenen in CUTW. Exemplaar hebben? Laat even weten, dan stuur ik er één op. 

blog comments powered by Disqus